Geschiedenis PDF Print E-mail
CLC

De Japanse schrijver Choken Inagaki schrijft in zijn boek 'De Chabo en het fokken' in 1951, dat er in Indo-China krielen bestaan, die erg lijken op de Chabo. Op tekeningen uit Bangkok en Singapore toont hij dat deze dieren een bijna recht opstaande staart bezitten. De naam Chabo zou trouwens afkomstig zijn van het woord Chiyanpa, dat Zuid-China betekent en dat dit ras Ro-kippen genoemd wordt. Het woord Ro betekent China. Ook wordt wel gezegd, dat de Chabo afkomstig is uit de streek Chamba, die in het midden van Vietnam ligt. In Vietnam komen in ieder geval ook hoenders voor met eekhoornstaarten en die vermoedelijk aan de Chabo verwant zijn. Enkele kleurslagen, waarin deze hoenders voorkomen, zijn bovendien de typische Chabokleur witzwartstaart en zilverhals. In Maleisië komen ook hoenders voor met recht opstaande sikkels die daar gewoon op de boerderijen worden gehouden.

Veel meer weten we af van de Chabo's in de negentiende eeuw en dat vooral dankzij de Duitsers. In 1868 waren op de tentoonstelling 'Columbia' te Keulen al witte Chabo's te zien en dit zouden nakomelingen geweest zijn van de Chabo's, die in 1860 naar Engeland geïmporteerd waren. In 1875 heeft de heer Heinrich Martin in Londen op een Japans schip een paartje koekoek Chabo's gekocht. Daar hij echter met Lires moest betalen, zal het waarschijnlijk wel een Italiaans schip geweest zijn. De dieren kwamen in het bezit van de heer Bodinus, directeur van de dierentuin te Berlijn. Barones Von Ulm-Erbach hield er in 1877 al enkele stammetjes Chabo's op na en breidde dit uit in 1881. Zij heeft veel gedaan om dit ras in Duitsland te verbreiden. Bekend is dat Graaf van Welczeck zich zeer ingespannen heeft Chabo's uit Japan te krijgen. In een brief schrijft hij, dat op het Slot Schönbrunn in het park blauwe en koekoek Chabo's liepen, die het eigendom waren van de later vermoorde aartshertog Franz-Ferdinand. In 1921 heeft Graaf van Welczeck voor het eerst 18 Chabo's ingevoerd, waaronder een zeer fraaie wit-zwartstaart en zilverhals haan. In 1937 kwam hij opnieuw in het bezit van 25 Chabo's, waaronder zeer mooie hanen in de kleurslagen witzwartstaart, wit en geel . Vervolgens twee jaar later nogmaals 18 Chabo's met zeer grote kammen. Deze drie groepen geïmporteerde Chabo's, waarvan afbeeldingen bestaan, waren vervolgens te bezichtigen in de dierentuin te Berlijn, voor zij naar Frankrijk gingen, waar Graaf van Welczeck Duits gezant was. Nakomelingen van deze dieren zijn toen terecht gekomen bij veel Duitse fokkers. Behalve de Duitse graaf zijn het vooral Britse dames geweest, die de Chabo in Europa verbreid hebben. Het is een vaststaand feit, dat door de import in Europa en Amerika de westerse Chabo is ontstaan. Opmerkelijk is, dat wij Europeanen meer aandacht besteden aan de kleuren en de tekening van de Chabo dan de Japanners. Deze letten vooral op bepaalde onderdelen in het type. In Japan fokt men nogal kleurslagen door elkaar voor bepaalde onderdelen van het type.

Hoe de Chabo verder in Nederland terecht is gekomen, is niet achter te komen, evenmin hoeveel fokkers van Chabo's toen in Nederland waren en hoe de kwaliteit was. In 1961 beschrijft de bekende schrijver en tekenaar, de heer C. S. Th. van Gink, in een artikel over Chabo's in 'Avicultura', dat hij in 1907 kennis maakte met de Chabo's. Deze dieren konden de vergelijking met het beste buitenlandse materiaal nog lang niet aan. Wel verscheen in 'Avicultura' in 1922 al een zeer groot artikel van de hand van de heer Van Gink waarin hij de Chabo beschrijft en dan vooral de kleurslag witzwartstaart. Dit artikel is geïllustreerd met veel foto's in deze kleurslag van dieren die in het bezit waren van Majoor Williams uit Engeland. Het zijn foto's van dieren, die in 1912-1913 op de Crystal Palace Show te Londen hoge ogen gooiden. Het aantal fokkers van Chabo's was in die tijd niet groot en op de vingers van twee handen te tellen. Men zag op tentoonstellingen wel wat dieren, maar eind jaren twintig liep dat erg terug. De crisistijd zal hier ongetwijfeld debet aan zijn geweest. In 1931 verschijnt in 'Avicultura' weer een artikeltje van de hand van de heer Van Gink waarin hij schrijft dat er weer Chabo's op diverse tentoonstellingen te zien zijn. Hij bericht in dit artikeltje dat de bijna uitgestorven liefhebberij voor Chabo's in ons land weer herleeft. De Chabo's waren voordien bezig het laatste beetje sympathie dat de Nederlandse sportfokkers nog voor ze koesterden, in te boeten juist doordat zij meer harmonisch van lichaambouw werden. De heer Van Gink waarschuwt er voor nooit anders dan met prima dieren te beginnen. Het blijkt dat er toen nog geen standaard voor de Chabo bestond. In de 'Bedrijfspluimveehouder Avicultura' verscheen in april 1938 een artikel van de heer Van Gink dat er een internationale standaard in de maak was voor de Chabo.

Ter gelegenheid van de Wereld Pluimveetentoonstelling te Leipzig kwamen Chabofokkers uit tal van landen bijeen onder meer met de bedoeling te komen tot de oprichting van een Internationale Chabo Club en een internationale standaard voor Chabo's voor te bereiden. Het was voor de pluimveewereld iets unieks. Wel hadden fokkers van rassen in verschillende landen contact met elkaar en een vrij eensgezind inzicht, maar nooit eerder was er een internationale gedachtewisseling en bereidheid tot samenwerking als bij de Chaboliefhebbers geweest. Aan de heer Van Gink werd gevraagd om de standaardafbeelding te willen ontwerpen. Hij gebruikte hiervoor foto's van prijswinnende Chabo's uit allerlei landen als richtsnoer en als uitgangspunt. De afdrukken van de heer Van Gink zijn via de heer Huneus, Nederlands bestuurslid van de Internationale Chabo Club naar vooraanstaande Chabo kenners in verschillende landen ter beoordeling gezonden.

Behalve de twee ontwerptekeningen staan in het artikel ook twee standaard ideaal tekeningen voor de Chabo haan en hen. Na intensief overleg met de Zwitser E. Renold werden deze ideaalvoorbeelden getekend. De kopversierselen zowel bij de haan als bij de hen zijn aanmerkelijk forser. De staartveren bij de haan zijn iets korter, de staartdekveren iets talrijker. De ronding van de borst bij de hen komt iets sterker naar voren, terwijl de staartstuurveren overeenkomstig de wensen van de kenners iets korter gemaakt zijn. Beide definitieve schetsen komen voor honderd procent overeen met de afbeeldingen in de N.H.D.B.-Standaard. De heer Van Gink vermeldt verder in dit artikel, dat ons land slechts weinig Chabofokkers telt, doch dat de kwaliteit het gemis aan kwantiteit vergoedt. De heer Huneus schijnt toen al in verschillende kleurslagen Chabo's gehad te hebben die nergens in het buitenland in kwaliteit werden overtroffen. In december van 1938 verschijnt in hetzelfde blad een artikel over de Internationale Clubtentoonstelling van de Internationale Chabo Club, die ondergebracht werd op de gecombineerde tentoonstelling van Ornithophilia en Avicultura (2e Avicomi) te Den Haag. Hier zaten bijna 100 Chabo's van deelnemers uit Engeland, Duitsland, Zwitserland en Nederland. Het schijnt een fantastische inzending geweest te zijn wat de kwaliteit betreft. Het was volgens een kenner (de heer Renold) een unicum met als drie beste dieren een oude witzwartstaart hen, een zwarte oude haan en jonge koekoek hen van de heer Huneus uit Baarn. De heer Ling uit Blerick showde toen de beste jonge zwartbonte haan en hen. Temidden van de buitenlandse fokkers sloegen beide Nederlandse fokkers een prima figuur en zij kwamen in de diverse kleurslagen vaak als de beste te voorschijn. Ingezonden werden de kleurslagen wit, zwartbont, patrijs, zwart, blauw, koekoek en berken in gladvederig en wit, zwartbont, geel- en witzwartstaart in krulvederig. De bekende keurmeester uit Nederland, de heer E. Osterman, keurde. Vervolgens kwam de oorlog, die veel leed bracht, ook voor de fokkers van dieren. Men moest deze opgeven en soms werd het verboden ze te fokken. De heer Huneus heeft alle moeite gedaan de Chabo's in zijn bezit te houden en ermee door te gaan met fokken. Aan hem is het vooral te danken geweest dat er in de jaren na de oorlog weer Chabo's in het land kwamen. Hij heeft toen veel mensen aan dieren geholpen, o.a. ook de heer Scheiberlich. Daar de basis bijzonder smal was, werden bestaande kleurslagen door elkaar gekruist om deze te verbeteren en eventueel uit te breiden. Men fokte toen ook met krulvederig maal krulvederig. Ook door dieren uit Duitsland te verkrijgen, werd getracht de smalle basis wat uit te breiden. Dit gebeurde meermalen via de heer Ling. In een artikel in 'Avicultura' in 1954 schrijft de heer Beekhof, zelf een Chabofokker, dat hij met veel moeite, volharding en vaak hoge kosten zich er voor heeft geven de Chabo's in stand te houden en te verbeteren. Twee jaar hiervoor had de heer Van Gink in twee afleveringen de Chabo in 'Avicultura' uitvoerig behandeld. Inzenders in die tijd waren de heren Huneus, De Barbanson, Van den Heuvel, H. G. Krijnen (niet te verwarren met zijn broer G. H.), Afink en Scheiberlich. In 1961 verscheen er in 'Avicultura' weer een artikel van de hand van de heer Van Gink over de Chabo in het algemeen. Opvallend gegeven is, dat hij daarin stelt dat de oogkleur bij de Chabo niet belangrijk is.

In datzelfde jaar (1961) opperen de heren D. W. van den Heuvel en Hauber (de tegenwoordige duivenkeurmeester) uit Tilburg de mogelijkheid van oprichting van een Speciaalclub voor Chabofokkers. Zij schreven een aantal Chabofokkers aan en het bleek dat er zo een lijst ontstond met dertig 'aspirant-leden'. Tijdens de tentoonstelling van Avicultura te Den Haag kwamen op zondag 19 januari 1964 twaalf personen bijeen in één van de ruimtes van de Houtrusthallen. De heer Hauber leidde als voorlopig voorzitter het eerste deel van de vergadering. Als voorzitter werd met algemene stemmen en 1 blanco de heer Huneus gekozen die meteen de voorzittershamer overnam. Men kwam ook tot het besluit een voorlopig bestuur te kiezen waarvan de heer Hauber secretaris-penningmeester werd en de heer T. Spierenburg als commissaris werd toegevoegd. Ongeveer 25 leden meldden zich aan als lid en daarbij behoorden de nog steeds lid zijnde E. van t Hof en F. B. H. Scheiberlich. Ook onze tegenwoordige erevoorzitter de heer Garvelink werd donateur en zijn vrouw lid. De heer Nitert uit Zenderen werd eveneens lid, maar verliet na enige jaren onze speciaalclub om in 1985 opnieuw lid te worden. Na enige maanden werd ook onze voormalige secretaris lid, nadat in een mededeling in 'Avicultura' de heer Hauber zijn verwondering had uitgesproken, dat de heer Van Ysendijk nog geen lid was geworden. Een definitief bestuur zou tijdens de eerstkomende tentoonstelling van Ornithophilia te Utrecht gekozen worden, waar dan ook de Statuten besproken zouden worden. De contributie werd gesteld op fl. 5,-- en de naam werd na enige discussie 'Chabo Liefhebbers Club .

De eerstvolgende vergadering vond echter weer in Den Haag plaats in de Houtrusthal tijdens de tentoonstelling Avicultura in januari 1965. Er werden toen 27 Chabo's ingezonden. Het bleek dat de CLC gegroeid was tot 32 leden en 1 donateur. De heren die het voorlopige bestuur vormden, werden met algemene stemmen herkozen. Voor de overige twee plaatsen in het bestuur waren drie kandidaten, te weten de heren Bijl, Buining en Van IJsendijk. Alle drie heren kregen evenveel stemmen en na 'twee herstemmingen' werden de heren Bijl en Kuining als bestuurslid gekozen. Het bestuur zag er toen als volgt uit: Voorzitter dhr. Huneus, vice-voorzitter dhr. Bijl, secretaris dhr. Hauber, penningmeester dhr. Buining en commissaris dhr. Spierenburg. In 1966 kwam er een wijziging in het Bestuur. Het secretariaat werd overgenomen door de heer Spierenburg, terwijl de heer Garvelink de open gevallen plaats innam. Het ging echter niet zo erg best met de speciaalclub. Er heerste een lauwheid bij de leden en dat was te merken aan de opkomst bij de Clubdag en de matige inzending op de Clubshow. Het ledental bleef rond de 32 schommelen. Leden die indertijd op de lijst stonden en soms met een onderbreking van een aantal jaren nog steeds lid zijn, waren de heren Garvelink, E. van 't Hof, Krijnen, Scheiberlich, Staal en Van IJsendijk. De voorzitter dhr. Huneus trachtte ook nieuw leven in de Internationale Chabo Club te blazen. Pogingen op dat moment tot een heroprichting mislukten echter. In oktober 1967 werd weer een vergadering belegd en daar vroeg de heer Scheiberlich of het niet mogelijk was contacten te leggen met Japanse Chabofokkers. Zowel de heer Huneus als de heer Garvelink zouden dit proberen. Helaas mocht dit nooit gelukken. In 'Avicultura' verscheen dat jaar een artikel over Chabo's, dit keer van de hand van mevrouw Banning-Vogelpoel. Alle leden ontvingen dat jaar ook een 'brandbrief' waarin een lid van de Chabo Clubbestuur de leden opriep zich daadwerkelijk in te zetten voor hun Speciaalclub. Er zat in de CLC totaal geen fut. Het aantal leden steeg niet en bleef rond de 30 steken. Via 'Avicultura' liet de CLC zich af en toe horen door middel van een enkel stukje in het mededelingenblad van de hand van de heer Van IJsendijk. Het gevolg was dat de heer Huneus dit lid prompt benaderde voor het Bestuur. De benadering kreeg zijn beslag op de jaarvergadering van 1968 en de heer Van IJsendijk kreeg de functie van secretaris, welke functie hij jarenlang heeft vervuld. De heer Spierenburg had inmiddels al te kennen gegeven deze functie niet meer te ambiëren. Een prikkel voor de nieuwe secretaris was een opmerking van de heer Aalbers in een verslag, dat de Chabo's tot de meer zeldzame rassen behoorden. In 1969 was het de wens van de heer Huneus om als voorzitter terug te treden. Hij had 'zijn werk' gedaan en een jongere moest het maar voortzetten. Op de jaarvergadering van dat jaar werd hij onder een staande ovatie tot erevoorzitter benoemd. De heer Garvelink werd daarop voorzitter. Ook werd de heer Garvelink in dat jaar secretaris-penningmeester van de heropgerichte Internationale Chabo Club. De heer Garvelink zou voor beide clubs in de loop der jaren zeer veel werk verrichten, daarin gesteund door zijn zich niets ontziende echtgenote.

De samenwerking tussen de bestuursleden onderling en de leden werd steeds beter. Dit had tot gevolg dat de Chabo-Liefhebbers Club meer ging leven in het land. Begin 1970 steeg het aantal leden tot 58. Vol enthousiasme startte men toen ook met 'Chabo-Nieuws', dat klaar gemaakt werd op de zolder van de heer Buining. Het blad verscheen twee maal per jaar. In 1971 kwam er een tentoonstellingsverbod dat in 1973 gevolgd werd door de 'beruchte' autoloze zondagen. Op veel tentoonstellingen kwamen dat jaar niet meer dan 10-15 Chabo's met uitzonderingen van de Dwerghoendershow te Laren met 36 en de Oneto met 60 Chabo's. Chabo-Nieuws werd inmiddels afgedraaid in Heerlen en het werd om en om uitgegeven met het Internationaal Chabo Bulletin dat door de heer Garvelink verzorgd werd. In 1971 verschenen enkele artikeltjes van de hand van mevrouw Banning-Vogelpoel in 'Avicultura'. Deze gingen toen over het verschil tussen berken en zilverhals en zwartbont en zwart witgepareld. Ook in haar rubriek 'Ons Krielenhoekje' schreef zij over de Chabo's in het algemeen.

In 1973 was een hoogtepunt de bijeenkomst van de Internationale Chabo Club te Heerlen op 5 en 6 juni. Ruim 50 personen uit verschillende landen woonden deze dagen bij. Dankzij het vele werk verricht door de heer en mevrouw Garvelink werd deze bijeenkomst een groot succes. In dat jaar verscheen in 'Avicultura' een artikel, vertaald door de heer Wolters uit de Duitse tijdschriften 'Geflugel-Börse' en 'Garten und Kleintierzucht' (uit de voormalige DDR), waarbij door de Redaktie van Avicultura aan de secretaris verzocht was hierover zijn mening en zonodig aanvullingen te geven. In 1974 werd de Chabo Club een slag toegebracht door het overlijden van haar erevoorzitter, de heer Huneus. Wat deze man in al die jaren voor de fokkerij van Chabo's heeft betekend, is niet te beschrijven. De CLC verloor in hem haar nestor en een zeer toegewijde man voor de club en het ras. Persoonlijk heb ik hem lang mogen kennen en ik bracht menig uurtje bij hem thuis door. Elk uur leerde je wat van hem. Hij had een ongelooflijke kennis van Chabo's. Ook moest je niet zeggen: "Wat een mooie is dat !", want dan stond deze al in de gang ingepakt om mee te nemen als je wegging.

In 1974 bedroeg het ledental 64. Het grote probleem was voor de secretaris-penningmeester (sinds 1973 een dubbelfunctie), en dat is 't ook voor de penningmeester in de eerste jaren geweest, de contributie te innen. Daar dacht men nogal gemakkelijk over. De hoeveelheid brieven die beiden geschreven hebben, is niet te tellen. De heer Van 't Hof werd toen voor de heer Buining in het bestuur gekozen. In 1976 verscheen in 'Avicultura' een verslag van de secretaris over de Jubileumshow van de Duitse Chabo Club, ondergebracht op de Junggeflügelschau te Hannover. Maar liefst 375 Chabo's zaten in de kooien. Daar werd ook een bijeenkomst van de I.C.C. gehouden die twee dagen besloeg. Daarbij waren ook enige Japanse Chabo-fokkers aanwezig die zich verwonderden over de borstlijn van de Chabo's in Europa. Volgens hen letten wij, Europeanen, teveel op dit onderdeel. In Japan wordt de borst vrij hoog gedragen en mist men bij de Chabo's vaak de ronde borstlijn. Dit kenmerk is aldaar niet zo van belang. Er gingen toen stemmen op om dit ook in Europa te veranderen en terecht verscheen in 'Avicultura' in 1977 een groot artikel van de hand van de heer Aalbers, waarin hij en de keurmeesters zich zorgen maakten over dit standpunt. Men dacht, dat de I.C.C. de standaard ten opzichte van het type wilde veranderen, doch de soep werd niet zo heet gegeten als zij werd opgediend. Terecht merkte de heer Aalbers op dat het peil van de Chabo's in Nederland zeer hoog was, vooral in vergelijking met het buitenland. De heer Aalbers steunde op de Nederlandse standaard en de Chabo Liefhebbers Club heeft hem ook laten weten dat zij nooit van het ideaalbeeld van onze standaard zal afstappen. Dat jaar verscheen er ook een fotoreportage van fokkers met hun Chabo's door de heer Van Dam. Het bleef de Chabo Liefhebbers Club goed gaan en het ledental overschreed de 75. De Chabo's verheugden zich in een steeds grotere belangstelling en dat was ook te merken op de diverse shows. Een aantal van meer dan 70 Chabo's in de kooien te zien begon heel normaal te worden. Wie had dat ooit in 1960 kunnen denken ! Ook was er in de fokkerspers aandacht voor de Chabo en er verschenen in 'Avicultura' en 'Fokkersbelangen' artikelen over de Chabo's. In 'Avicultura' was dat een zeer fraai artikel van de heer Aalbers en een artikel gewijd aan de lethaalfactor van de Chabo door de heer J. Ringalda. De heer Douma schreef in 'Fokkersbelangen' een artikel over Chabo's. Het jaar 1980 was voor de Chabo Liefhebbers Club een mijlpaal. De secretaris heeft in dat jaar het honderdste lid ingeschreven. In dat jaar werd er eveneens weer een vergadering in Nederland gehouden van de Internationale Chabo Club en wel te Eindhoven tijdens de Lichtstadshow, waar de C. L.C. haar Clubshow had ondergebracht. Zo'n 100 Chabo's bevolkten de kooien. De I.C.C. vergadering wekte echter bij de Nederlanders enige wrevel op door de houding van twee landen. Dit liep nogal hoog op en de Nederlanders hadden hierna geen zin meer om zelf hun jaarvergadering te houden.

In 1980 hebben ook enkele bestuursleden van de Chabo Liefhebbers Club een bezoek gebracht aan het keurmeesterscongres te Oosterbeek waar de Chabo's besproken zouden worden op verzoek van de CLC Het was gebleken dat er weinig lijn zat in de keuringen. Van beide zijden werd dit contact als zeer positief beschouwd. In 1981 was het voor de heer Engelberts een mijlpaal. Hij vierde het jubileum dat hij vijftig jaar Chabo's fokte. De heer Scheiberlich deed dat in 1981 al 35 jaar.

De heer Garvelink voelde zich genoodzaakt in 1982 terug te treden als voorzitter vanwege zijn gezondheid. Al die jaren heeft deze voorzitter met hart en ziel zich ingezet voor de Chabo's en haar organisatie, zowel op nationaal als internationaal gebied. De heer Peters heeft het roer overgenomen en de heer Garvelink werd benoemd tot erelid van de Chabo Liefhebbers Club. Het was ook dat jaar voor het eerst dat Clubdag en jaarvergadering van de C. L. C . gecombineerd werden. De Clubdagen tot nu toe en voor zover ze doorgingen en de jaarvergaderingen werden niet enthousiast bezocht. Het bestuur hoopte hierdoor meer leden te trekken. Inderdaad gebeurde dit ook en sindsdien mogen we ons verheugen in zeer goed bezochte Clubdagen. Chabo-Nieuws verscheen dat jaar ook voor het eerst viermaal en dat is gelukkig tot nu toe zo gebleven, waarbij het in een beter jasje gestoken is. Het ledental van de CLC bleef stijgen en dat jaar kon het 119e lid worden ingeschreven. Op de jaarvergadering werd toen het besluit genomen leden, die bij een herhaald verzoek op 1 maart nog niet de contributie over het vorig jaar voldaan hadden, te royeren.

Het jaar 1983 leverde voor de Chabo Liefhebbers Club een vervelende gebeurtenis op. Zij zag zich genoodzaakt het lidmaatschap van de Internationale Chabo Club op te zeggen. Het contact, dat toch al vrij nihil was, werd verbroken door een gebeurtenis waarop de Het jaar 1983 leverde voor de Chabo Liefhebbers Club een vervelende gebeurtenis op. Zij zag zich genoodzaakt het lidmaatschap van de Internationale Chabo Club op te zeggen. Het contact, dat toch al vrij nihil was, werd verbroken door een gebeurtenis waarop de toenmalige secretaris, die om opheldering verzocht had, zijn vragen gedeeltelijk of in het geheel niet beantwoord zag. Dit deed het bestuur besluiten deze stap te nemen, na eerst de goedkeuring aan de leden gevraagd te hebben. De Chabo Liefhebbers Club leefde gewoon verder mede dankzij enthousiaste leden, zoals de heer Kleef die in 'Fokkersbelangen' enkele artikelen over Chabo's schreef. Ook verscheen er een artikel van de hand van de heer Engelberts in dat blad over zijn 50-jarig jubileum van het fokken van Chabo's. Het ging de Chabo Liefhebbers Club goed. Het aantal leden bleef stijgen.

De CLC leed in maart 1985 een groot verlies door het overlijden van de heer Afink. Hij was een van de grondleggers van een Chabo van zeer goede kwaliteit. Ook uit zijn hokken zijn veel dieren in andere handen overgegaan en menigeen heeft van deze kenner bijzonder veel geleerd. Voor het eerst was er in dit jaar een lichte terugslag ten aanzien van het ledenaantal. Dit heeft zich echter spoedig hersteld en de stijging van het aantal leden heeft zich weer doorgezet.

Op dit moment dat dit artikel geschreven wordt (1989), bedraagt het ledenaantal officieel 185. Dit is mede te danken aan de goede sfeer in de Chabo Liefhebbers Club. Het bestuur heeft dit altijd al uitgedragen en dat is ook te zien geweest aan de wisselingen in het bestuur. Mevrouw Des Bouvrie-Van Oostenbrugge die jarenlang deel heeft uitgemaakt van het bestuur, is thans ook erelid. Verdere bestuursleden die om een of andere reden zich genoodzaakt zagen af te treden, zijn geweest de heren E. van 't Hof, Caspers, Kleef en Bouma. Ook is het te danken aan de vele enthousiaste leden binnen de CLC die hun steentje bijdragen aan het slagen van deze speciaalclub en het uitdragen van goede Chabo's over het land. De CLC . is een liefhebbers club en dat is te merken aan het aantal leden dat echt fokt. Die leden hebben de Chabo's op een zeer goed peil gebracht en dit ook zo gehouden. Maar er zijn ook liefhebbers die de Chabo voor hun plezier houden en dit al jaren doen. Het is een ras dat de tuin op een hoger peil brengt en dat een lust is te zien tussen de planten en heesters of op een mooi gazon.

uit: C.L. van IJsendijk, 25 jaar CLC, 1989

 
© 2008 - Chabo Club Nederland